Grammatica
Grammatica is het geheel van regels en conventies die bepalen hoe woorden en zinnen in een taal leiden tot een logisch geheel komen, waardoor lezer en schrijver elkaar kunnen begrijpen. Dit geldt veel minder voor spreker en toehoorder.
Grammatica ondersteunt verschillende woordsoorten (naamwoorden, bijwoorden, werkwoorden en dergelijke), zinsbouw, vervoeging en verbuiging, voor- en achtervoegsels en interpunctie (punten, komma’s en dergelijke).
KLINKERS IN COMBINATIE MET “JE”
Staan meerdere klinkers naast elkaar en deze wordt “afgesloten” met de letter “j”, dan wordt er normaliter de scheiding met een koppelteken “-j” toegepast.
Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen om de leesbaarheid te vergroten.
Woorden met “-je”. Deze worden normaliter met “je” afgesloten, omdat dit de leesvaardigheid niet beïnvloed. Voorbeeld: “verbieje”.
Woorden met “ei-j”. Deze worden wel met “-j” afgesloten. Voorbeeld: “ei-jer”, anders zou er “eijer” staan wat als “eejer” kan worden gelezen door de velenging van de letter “i”.
Woorden met “ie-ji”. Deze worden wel met “-j” afgesloten. Voorbeeld: “eerbie-jig”, dit leest beter dan “eerbiejig”.
Woorden met “oo-jee”. Deze worden wel met “-j” afgesloten om de leesvaardigheid te verhogen. Voorbeeld: “stoo-jeezel”.
Woorden met “ui-je”. Deze worden wel met “-j” afgesloten om de leesvaardigheid te verhogen. Voorbeeld: “ui-je”, anders zou er “uije” staan, wat als “uuje” kan worden gelezen.
METEN VAN LENGTE EN OPPERVLAKTEN, VOLUMES EN GEWICHTEN
Van oudsher is in het Nederlands en in het dialect, voordat het metrische stelsel werd ingevoerd, zijn voor maten en gewichten andere benamingen gebruikt. Sommige woorden worden vandaag de dag nog steeds gebruikt. Voor Aarle-Rixtel waren de volumematen die in Helmond waren vastgelegd leidend en bij de lengte- en oppervlaktematen was ’s-Hertogenbosch leidend.
Voor gewicht zijn de benamingen voor „pond” en „kilo” hetzelfde in het dialect. Het pond woog 471 gram, tegenwoordig 500 gram. Het ons was weer een vijfde deel daarvan, dus 94,2 om 100 gram.
NAAMVALLEN
Naamvallen en dan met name de vierde naamval is in het Brabants dialect nog steeds van belang voor het juist omschrijven en uitspreken van zinnen.
De vierde naamval is het lijdend voorwerp. Je vindt het lijdend voorwerp door de vraagstelling: „Wie, Wat of Waar + gezegde + onderwerp”.
Voorbeeld in het Brabants: „Hij zit in den hèrd”. De vraag: „Waar zit hij?”, uitkomst: „Hij zit in de(n) hèrd”.
Persoonsvormen kunnen in het Brabants anders samengesteld worden dan in het Nederlands. Dit speelt bij het woord „zijn”, dit wordt „zin” of „zèn” en levert soms problemen op bij de vertaling als het Nederlands dient te zijn.
Voorbeeld in het Brabants: „D’r zèn meer dan eejn boek gegeeve”. „Er is meer dan één boek gegeven”.
SAMENVOEGEN EN AFKORTEN VAN WOORDEN EN ZINNEN
Het samenvoegen en afkorten van woorden en soms complete zinnen komt in het Brabants vaak voor. Een paar voorbeelden van samenvoegingen: „Dè’se, „Dat ze”, „Ha’k ‘t”, „Had ik het”, „Wône?”, „Waar of niet?”.
Het afbreken van zinnen heeft vooral betrekking op de letters „n” en „t”, voorafgaand aan een klinker aan het einde van een woord worden meestal niet uitgesproken, waardoor de klinker de afsluiting van het woord maakt. „Begreepe”, „Wandelu” en dergelijke woorden zijn hier voorbeelden van.
SCHRIJVEN VAN KORTE WOORDEN OF SAMENSTELLINGEN
De korte klinker „o” heeft in de betekenis van „Zò’k”, „zou ik” of „zou ook” is een andere omschrijving dan „zôk”. Dit heeft de betekenis van „sokken”. Je zou verwachten dat deze worden hetzelfde geschreven kunnen worden, omdat het een gelijke uitspraak heeft. Om een duidelijk onderscheidt te maken krijgt het zelfstandig naamwoord de letter „ô” en de samenstelling de letter „ò”.
S-PLAKKEN
Brabants gebruikt de letter ”s(z)” om hulpwoorden weg te laten. Een voorbeeld: „Hèbbesz of hauwes?”, wordt vertaald als: „Is het (tijdelijk) te krijgen of te houden”. Hier wordt het woord „te” weggelaten. Soms is zelfs een aanvulling op een ander woord „hèbbesz” kan ook zonder „sz” uitgesproken worden, maar dan loopt het vaak niet.
Ander voorbeeld met het woord „van” weggelaten: „T’s hurres”, „Het is van haar”.
Meestal is het de kortste beschrijving van een woord. Bijvoorbeeld: „loopende?” of „Ben je te voet?”: „Zèdde mi de fiets of loopes?”, „Nee-je, gewoon … loopes”.
TOPONIEMEN
Binnen het dialect worden ook veel toponiemen gebruikt die een historisch gebied aangeven. Deze zijn als zodanig opgenomen in dit woordenboek
UITSPRAAK VAN DE UITGANG VAN DUBBELE KLINKERS
Binnen het dialect worden woorden als „gemeen”, „zeem” of „doof” wordt de dubbele klinker extra lang uitgehaald en in klank iets verlaagd, waardoor het lijkt of het woord gezongen wordt.
VERVOEGINGEN VAN WOORDEN
Jij, gij en u worden in het Brabants allemaal „gij”.
Jullie kan daarentegen in het Brabants „gallie”, „gullie” en „ullie” worden.
Voor het overige blijven de aanspreekvormen gelijk net zoals in het Nederlands en Brabants algemeen gebruikelijk is.
HET ZINGEN, OFTEWEL HET VERLENGEN VAN KLINKERS EN MEDEKLINKERS
Er is een misverstand dat het dialect in Brabant melodisch wordt overgebracht naar de toehoorder, het zogenaamde zingen. Dat is zeker niet het geval in bij het Brabantse dialect, dit komt meer voor in en rond Rotterdam en bepaalde delen van Limburg. Het Brabants is meer kort van stof en komt soms wat ruw en kortaf over, dat komt omdat woorden verkort worden of aaneengesmeed tot een nieuw woord, „Ha’kt mar” is zo’n voorbeeld.
Menig klinker wordt in de eerste lettergreep verlengt, zeker als het een kort klinkende klinker is. „Brààndnittels” en „Tààftere” zijn hier voorbeelden van.
Het verlengen van de uitspraak geldt ook voor lange klinkers, alleen deze kunnen buiten de eerste lettergreep vallen. Zoals „Frotkóónt” en „Verzáámele”.
Daarnaast kunnen bepaalde woorden klinkers omvatten die een totaal andere betekenis hebben als deze met een enkele of dubbele klinker worden beschreven.
De lange klinkers kunnen soms verlengd worden. Dit met name bij de letters „n” en „r”. Met name de rollende-r kan vaak voorkomen. Er zijn zelfs mensen die dat nadrukkelijk uitspreken. Woorden als „mevrrrouw” krijgen zodoende de klemtoon op de r te liggen in plaats van het gehele woord „vrouw”. De letter „n” kan weer een verlenging van het woord inhouden. Een woord als „sk.ônste” krijgt de verlenging van de „n” in dit geval van de korte „o”, omdat anders de juiste klank van de letter „n” niet kan worden uitgesproken.
VERVOEGINGEN VAN WOORDEN
Jij, gij en u worden in het Brabants allemaal „gij”.
Jullie kan daarentegen in het Brabants „gallie”, „gullie” en „ullie” worden.
Voor het overige blijven de aanspreekvormen gelijk net zoals in het Nederlands en Brabants algemeen gebruikelijk is.
Maak jouw eigen website met JouwWeb